Hindoeïsme is een van de oudste levende religieuze tradities. Centraal staat het idee van een allesdoordringende werkelijkheid (Brahman) die zich in vele vormen en godheden manifesteert. Hindoes geloven in de eenheid van een transcendente en immanente God, die de schepper is van het universum. De meeste hindoes geloven ook dat God op bepaalde momenten in de geschiedenis in een menselijke vorm kan verschijnen of in een persoonlijk lichaam kan incarneren (avatarisme). Sommige van die goddelijke persoonlijkheden werden gezien als deelaspecten van de ene ondeelbare God (Brahman) en werden als Hindoe-goden verwerkt in de mythologieën en spirituele filosofieën van het hindoeïsme. Enkele van de belangrijkste aspecten van God maken deel uit van de hindoeïstische Drie-eenheid: Brahma (God als Schepper), Vishnoe (God als Onderhouder), Shiva (God als Vernietiger of Transformerende Entiteit).
Shiva: vernietiger en vernieuwer. Zowel ascetisch als gezinsmens.
Vishnu is beschermer van de wereldorde. Bekende avatars: Rama en Krishna.
Devi omvat vele verschijningsvormen zoals Lakshmi, Sarasvati, Durga en Kali.
Krishna is centraal in de Bhagavad Gita; Rama in het Ramayana-epos.
God van wijsheid en het wegnemen van obstakels.
Symbool voor moed, dienstbaarheid en onvoorwaardelijke toewijding.
Lakshmi: rijkdom; Sarasvati: kennis en muziek.
Durga: strijdgodin; Kali: transformatie en loslaten.
De hindoe-goden worden vaak afgebeeld met vele hoofden of armen die allemaal een heilig voorwerp vasthouden.
Dat zijn symbolen van hun speciale krachten en het aspect van Braham dat zij vertegenwoordigen.
De meeste Hindoes kiezen één of enkele favoriete goden, waar ze dan afbeeldingen van in hun huis hebben en die ze vereren.
Door contact te leggen met hun favoriete god of goden, streeft een hindoe-gelovige ernaar om het aspect,
dat die god of goden vertegenwoordigt, in zich te versterken.
Vaak betreft het ook het verlangen naar de oplossing van een probleem, naar materiële welvaart of naar een geliefde.
Brahma, de eerste van de Hindoe-drie-eenheid, is de schepper van het heelal.
Hij wordt afgebeeld met vier hoofden die naar de vier windrichtingen kijken.
Hij rijdt op zwanen of zit op een heilige lotusbloem. Zijn vrouw is de godin van kunst en onderwijs Saraswati.
Brahma heeft vier handen, waarvan hij er altijd een zegenend opheft.
Brahman is voor de Hindoes de Ene, de opperste geest, de naam van God.
Het Hindoeïsme kent veel goden, die verschillende kanten van Brahman laten zien.
De hindoe-goden vormen met elkaar een vrolijk stel, waar allerlei verhalen over bestaan en prachtige afbeeldingen.
Ook worden ze bezongen in allerlei liederen. Hindoe's hebben altijd wel een afbeelding van een of meerdere goden bij zich.
Bijvoorbeeld een riksja-rijder heeft in zijn riksja altijd een paar plaatjes van enkele goden,
vooral van Ganesha, om hem te beschermen onderweg.
Het uiteindelijke doel van het leven van de Hindoe is moksha of verlossing, loskomen van de cyclus van
samsara.
Hoe meer je leeft volgens de Veda's, des te 'hoger' zal je volgende geboorte zijn en des te dichter kom je bij moksha.
Moksha wordt ook gezien als het moment waarop de individuele ziel, Atman, opgaat in Brahman.
Puja omvat gebeden, offers, rituele handelingen en contact met een gekozen god of godin.
Balinese hindoes geloven in één oppermachtige god: Sanghyang (=god) Widhi Wasa.
Deze god is zo groot en machtig dat hij niet te bevatten is voor een normaal menselijk wezen daarom heeft
deze god zichzelf opgedeeld in 3 verschillende aspecten.
Deze goden (als manifestatie van Sanghyang Widhi Wasa) worden ook wel trimurti genoemd en zijn:
Brahma, Wishnu en Shiva
Iedere god heeft zijn eigen kleur en rijdier
Shiva: kleur wit, een witte stier Nanda genaamd
Brahma: kleur rood, een gans Hamsa genoemd
Wishnu: kleur zwart, een adelaar Garuda genoemd
UitvaartrituelenUitvaartrituelen en -gebruiken bij Hindoes ( Lokale gebruiken, maar ook als gevolg van stromingen, richtingen binnen de religie kunnen bepaalde gebruiken afwijken van het hier beschrevene. ) SamenvatingDe 'moksha' is voor Hindoes het moment in het bestaan van de mens. Het is het moment van bevrijding uit de cyclus van geboorte, dood en wedergeboorte. Maar voor die fase is bereikt kan het lichaam keer op keer sterven, maar blijft de 'atman' (ziel) reïncarneren in opeenvolgende levens. De gebruiken beginnen reeds bij het sterfproces De familie komt bijeen en door de ontboden priester zal eerst met behulp van gebed getracht worden de stervende te genezen. Tijdens het gebed wordt allereerst een druppel Gangeswater toegediend. Het water symboliseert het leven en de vergankelijkheid. Vervolgens wordt een blad van de tulsaboom (een basilicumsoort) in de mond gelegd. Het blad houdt de ziektekiemen op een afstand. De Pandit (geestelijk leider) leest voor uit de Bhagavad Gita, het lied des heren, waarna de familie meebidt. Na het sterven wordt de overledene thuis opgebaard of overgebracht naar het rouwcentrum. Voor de familie breekt nu een periode van 10 dagen rouw aan. Allereerst geeft de familie bekendheid aan het heengaan via rouwcirculaires in het land en indien mogelijk de radio voor verre verwanten. Tijdens de bezoekuren komt de familie bijeen met de Pandit en worden een aantal rituelen afgewerkt, waarbij de teksten veelal voor de jongeren vertaalt wordt. Het wassen en afleggen wordt meestal door familieleden uit andere huishoudens gedaan, maar altijd in aanwezigheid van familieleden uit het huishouden van de overledene. Voorbereiding uitvaartDe overledene wordt na de wassing veelal in traditionele dracht aangekleed. De vrouw in een sari en de man in dhoti en pagri. Binnenshuis of in het uitvaartcentrum wordt rondom de kist gezeten en gebeden voor de zielerust. De kist is dan veelal niet gesloten. De plechtigheden worden besloten met rijstballetjes. De uitvaart in het crematoriumDe crematie is voor de Hindoes de basis van het uitvaartritueel, immers hoe sneller het lichaam vergaat des te sneller kan de ziel vrijkomen, en kan het lichaam terugkeren naar de elementen waaruit het is opgebouwd. De rituelen in het crematorium zijn veelal een symbolische afgeleide van de 'gewone' rituelen bij de lijkverbranding. De kist wordt indien mogelijk door 4 mannen op de schouders gedragen. Tijdens het dragen naar de aula van het crematorium wordt de kist 5 maal neergezet en gaat de familie (symbolisch) 5 maal zitten Dan wordt de kist in de aula geopend en versierd met bloemenkransen. De Pandit houdt de voorgeschreven preek uit de Veda. De oudste zoon loopt 5 maal rond de kist en raakt met een aangestoken diya(lampje) wat gevuld is met ghee evenzoveel keren de lippen van de dode aan, hetgeen een symbolisch aansteken van het vuur voorstelt. Dan loopt de familie langs de kist en neemt afscheid door rijstkorrels of bloemblaadjes in de kist te leggen, tot de kist zakt of wegglijdt. Een aantal familieleden is met de Pandit ter overtuiging van de verbranding bij de invoer van de kist in de crematieoven aanwezig. Ceremoniele gebruiken bij het overlijden en de uitvaart Als de vader is overleden, maar het gebeurt veelal ook als de moeder is overleden, scheren de zonen (en vader indien moeder is overleden) het hoofdhaar (soms op een kort staartje na), snor en baard af. Op de twaalfde of dertiende dag wordt een vuuroffer gehouden. Na de dertiende dag vangt het gewone leven weer aan. Indien mogelijk wordt de as ⚱ overgebracht naar India en verstrooid in de Ganges. De verstrooiing van de as gebeurt in Nederland echter veelal op zee (deze staat wereldwijd gezien immers in contact met de Ganges) in aanwezigheid van de familie. |