


|
Namo tassa Bhagavato, Arahato, Sammasambuddhassa Eer aan de Verhevene, de Heilige, de Volledig Ontwaakte |
Mogen alle wezens die deze voordracht horen snel vooruitgang boeken in hun meditatiepraktijk. Moge de Dhamma die jullie nu horen jullie harten vullen met vreugde en tevredenheid en met vertrouwen in de Boeddha die deze Dhamma heeft onderwezen.
De Boeddha is in jullie hart. De Dhamma is in jullie hart en de Sangha is in jullie hart. Deze drie juwelen bevinden zich in jullie hart – daarom hoeven jullie de geest niet meer naar buiten te laten gaan. Weet slechts wat zich op dit moment in jullie geest afspeelt. Komt er iets goeds op – weet het; komt er iets slechts op – weet het. Jullie weten wanneer jullie goed denken en jullie weten wanneer jullie slecht denken. Het hart weet het; in het hart zijn jullie waakzaam, fris en open. Het hart weet wat zich in de geest afspeelt – denkt de geest, dan weet het hart het. Zo kunnen jullie de Dhamma zien en begrijpen. Het hart kent de Dhamma; dat is wat wij Cittanupassana-Satipatthana noemen – weten wat er op dit moment in de geest gebeurt.
Dhammanupassana-Satipatthana is het weten van de huidige Dhamma. Het laat jullie weten wat de Boeddha heeft onderwezen. Als jullie het nog niet weten – beoefen dan nu. Weet en laat los. Weet wat jullie denken – denken jullie goed, weet het; denken jullie slecht, weet het. Weet het huidige moment. Dit is hetzelfde als bij het inademen weten: BUD-, bij het uitademen: -DHO. Jullie weten het inademen en jullie weten het uitademen.
Wanneer een monnik wordt gewijd, geeft de Upaccaya (de monnik die hem wijdt) hem tijdens de ceremonie de vijf kammatthana-objecten. Hij zegt hem het hoofdhaar (Kesa), het lichaamshaar (Loma), de nagels (Naka), de tanden (Danta) en de huid (Tacco) te beschouwen. Zo ontvangen de monniken reeds bij hun wijding de eerste meditatie-instructie. Dit moet ertoe leiden dat de mediterende zich losmaakt van wereldse dingen, omdat hij hun lijdende natuur herkent. Zou hij niet naar deze onthechting streven, dan zou de vraag rijzen waarom hij überhaupt gewijd is. Jullie moeten werkelijk moeite doen deze vijf kammatthana-objecten te zien en te begrijpen wat hun natuur is. Iedere mediterende zou dat moeten doen. Ga deze vijf objecten steeds weer na tijdens jullie meditatie – van voren naar achteren en van achteren naar voren. Mediteren jullie zo, dan betonen jullie werkelijk respect aan de Boeddha.
Overdenk het haar op jullie hoofd, het haar dat overal op het lichaam groeit – weet en overdenk jullie lichaam. Sluit de ogen en probeer ze te zien alsof ze geopend zijn. Weet en overdenk. Laat deze meditatie jullie geesteskracht worden.
Een monnik is iemand die zijn concentratie aanscherpt en over de ware aard der dingen reflecteert. Beoefenen jullie zo, dan beoefenen jullie als een monnik. Stel je voor dat jullie praktijk is alsof je een Boeddhabeeld polijst. Poets de geest zodat hij zacht en plooibaar wordt. Een beeld wordt eerst met reinigingsmiddel behandeld en dan met doeken van vuil ontdaan. Daarna straalt het beeld als nieuw. De eigen geest wordt vervuld van vreugde. Tijdens het werk is er vreugde; wanneer het werk gedaan is, ontstaat vreugde en tevredenheid.
Weet jullie lichaam en stel je voor dat je hier zit als een Boeddhabeeld. Laat de geest niet naar buiten dwalen. Stel je voor dat je het Boeddhabeeld reinigt en dat de Boeddha in jullie hart is, de Dhamma in jullie hart en de Sangha in jullie hart. Bereiden jullie de geest zo voor, dan ontstaat vreugde in de geest en wordt het gemakkelijk concentratie te ontwikkelen. Wat jullie nog niet wisten zal verschijnen; wat jullie nog nooit zagen zullen jullie zien.
De mediterende weet of zijn geest rustig is of onrustig. Hij moet voortdurend weten. Denkt de geest dit of dat – hij weet het en laat dat weten weer los. Is er voortdurende verandering in de geest – hij weet het slechts en laat los. Jullie weten dat jullie hier zitten om concentratie te ontwikkelen. Jullie proberen de geest te ontwikkelen. Wetend dat de Boeddha in jullie hart is, dat de Dhamma in jullie hart is en dat de Sangha – de edele leerlingen van de Boeddha – in jullie hart is. Kunnen jullie dat zo weten en zien, dan verdwijnen de mentale onzuiverheden snel. Jullie worden edel.
Zelfs wanneer jullie merken dat jullie dood nadert, moeten jullie zo beoefenen. Beoefen om de dood te overwinnen. Paramatta – het Absolute – is doodloos. Eerst moeten jullie echter de dood zien, het sterven zien, opdat jullie deze werkelijkheid begrijpen.
De Boeddha is het hoogste wezen, de Dhamma is de hoogste leer en de Sangha, de gerealiseerde leerlingen van de Boeddha, is diep eerbiedwaardig. Maar als de Sangha niet beoefent, kan hij zich niet ontwikkelen. De Sangha moet oefenen – zonder ophouden. Net zoals jullie moeten eten – vandaag en morgen. Er is geen dag waarop jullie zeggen: nu is het genoeg, ik stop met eten. Zo moeten jullie dagelijks mediteren. Dagelijks moeten jullie jullie concentratie aanscherpen. Zo kunnen jullie er zeker van zijn dat jullie vooruitgang boeken.
Hier zitten en mediteren betekent dat jullie iets doen voor jullie vooruitgang. Wordt de concentratie beter, dan kunnen jullie deze vooruitgang ook zien. Wat jullie nog nooit zagen – jullie zullen het zien. Wat jullie nog niet wisten – jullie zullen het weten. Daaraan kunnen jullie jullie vooruitgang herkennen.
Daardoor ontwaakt vertrouwen in de Dhamma die de Boeddha heeft onderwezen, want jullie kunnen zelf ervaren wat hij leerde, zelf zien wat hij zag. Zo kunnen ook jullie verlichting bereiken, zoals eens de Boeddha 2500 jaar geleden.
Beoefen zo vaak en zoveel als jullie kunnen. Luiheid verhindert jullie vooruitgang. Beschouw de adem zoals hij binnenstroomt en weet hoe hij uitstroomt. Zo ontstaat verrukking bij het inademen en verrukking bij het uitademen. Wanneer de geest van de mediterende zover is, dan wordt het gemakkelijk de hindernissen te overwinnen. Mentale traagheid en lusteloosheid verschijnen dan niet meer. Dat is iemand die vooruitgang heeft geboekt.
Zo te beoefenen betekent dat jullie de waarheid van de Dhamma zelf kunnen ervaren. Jullie hoeven niemand meer te vragen – jullie kunnen alles zelf weten en zien. Mogen jullie de geest openen en ernstig beoefenen wat de Boeddha heeft onderwezen, wat de Dhamma zegt en wat de Sangha beoefent.
Wanneer iemand de vijf morele regels onderhoudt, kan hij de stroomintrede (de eerste graad van heiligheid) bereiken. Het is alsof men een zaad plant, het ijverig begiet en niet weet wanneer, maar op een dag bloeit de plant. Dan ontstaat vreugde in het hart en misschien besluit men de bloem aan de Boeddha te schenken. Zo is het ook met een mediterende – zijn hart is vol vreugde.
De bloemen veranderen van kleur – dat toont hun vergankelijkheid. Zo is het ook met jullie lichaam. Wanneer jullie de Boeddha respecteren, gebruiken jullie wierook en kaarsen. De wierook brandt op, de kaarsen branden neer. Dat te zien betekent de waarheid te zien. Wees aandachtig in alle dagelijkse dingen om dit te zien.
De Boeddha leerde dat wij lichaam en geest nauwkeurig moeten observeren om hun lijden en vergankelijkheid duidelijk te zien. Extreme ascese leidt niet tot verlichting; te weinig of te veel eten ook niet. Beoefen het middenpad.
Weet wat in de geest opkomt en laat het los. Weten en loslaten – wat er ook verschijnt – alleen weten en loslaten. Zo ontstaat vrede in de geest.
Wanneer jullie deze instructies volgen, zullen jullie snel vooruitgang boeken. Het zijn geen vele grote woorden, maar de inhoud is diep. Het werk moeten jullie echter zelf doen.
Denk niet dat luiheid, begeerte of woede van jullie zijn. Weet en laat los. Wanneer aandacht en juist inzicht sterk zijn geworden, verdwijnen begeerte, woede en luiheid vanzelf.
Beschouw hoe de geest zich voortdurend verandert. Wanneer de hindernissen verdwijnen, is het mogelijk de Dhamma te zien – ja – Nibbana te bereiken, de volle waarheid te kennen.
Mogen allen die deze instructies gehoord hebben de vier paden, hun vruchten en het Ene – Nibbana – realiseren.

