INSTRUCTIES VAN
LUANG POO SANGWAHN
LICHT VAN HET LICHAAM - LICHT VAN DE GEEST

Als we in meditatie zitten, moeten we er altijd op letten dat we degene naast ons niet aanraken, want dan kan de geest zich niet concentreren. Als er concentratie ontstaat, gaat die daardoor weer verloren.

We herinneren ons dat de Boeddha in ons hart is, de Dharma is in ons hart en de Sangha is in ons hart. De drie juwelen zijn echt in ons hart en we hoeven aan niets anders te denken. We denken alleen aan de drie juwelen in ons hart en de geest zal snel concentratie bereiken. We eren de Boeddha door onze meditatie. Dat is wat de Boeddha ons heeft geleerd. Zo zullen we snel concentratie bereiken.

Eerst proberen we de geest in een rustige, kalme toestand te brengen. Het rechterbeen is over het linker gekruist, de rechterhand ligt in de linkerhand, de rug is rechtop. Dit is de juiste houding voor onze meditatie. Sluit de ogen en probeer jezelf in deze positie te zien.

Als we inademen, noteren we BUD-, bij het uitademen -DHO, dat is de Boeddha. De Boeddha zelf werd door ademobservatie verlicht (Anapanasati). We weten wanneer we inademen en wanneer we uitademen. Dit laat Satisampajanno - aandacht en helder weten - in onze geest sterker worden, waardoor het ons snel lukt concentratie te ontwikkelen.

Laat de geest in een ontspannen, vrije toestand. Als we dan voelen dat het lichaam licht wordt en de geest licht, weten we dat de geest nu geconcentreerd is. We proberen deze toestand niet te forceren. Als er licht verschijnt, weten we het; als er geen licht is, weten we het ook en laten we ons daardoor niet van de wijs brengen. We blijven ontspannen, weten en laten los. Hoe meer onze geest in het midden is, hoe gemakkelijker concentratie ontstaat.

Bij het inademen ontstaat vreugde en bij het uitademen ontstaat vreugde. Als we deze vreugde en de lichtheid van lichaam en geest voelen, weten we dat we nu concentratie hebben. We kunnen ons nu concentreren op het punt tussen de wenkbrauwen. Hier ontstaat weten en zien. We proberen niet naar buiten te kijken, maar onszelf te zien. Normaal gebruiken we onze zintuigen om de wereld buiten waar te nemen. Nu proberen we alleen onszelf te zien. Zo zullen we de ware aard van de dingen leren begrijpen. Zolang we naar buiten kijken, ontstaat geen concentratie. Zodra concentratie ontstaat, kunnen we ons lichaam en geest zien en ons vertrouwen zal groeien.

We mediteren om het voorbeeld van de Boeddha te volgen, om zoals Hij te begrijpen en verlichting te bereiken. Nu richten we onze aandacht op het haar op het hoofd. We weten dat het haar op ons hoofd zit en proberen het te zien. Zien we het nog niet, dan noteren we alleen - Haar, Haar...

We mediteren om begrip te krijgen van de realiteit van geboorte, ouderdom en dood en van de Dharma, die vrij is van ouderdom en dood. De praktijk van de vier fundamenten van aandacht (Satipatthana) passen we toe in alle vier houdingen - zitten, lopen, staan, liggen. Dit geeft ons ook de mogelijkheid om met hindernissen om te gaan. Als vermoeidheid opkomt, is dat een teken dat we de notitie vergeten. Adem dieper in dan normaal - BUD- en adem krachtiger uit -DHO. Door het versterken van de in- en uitademing wordt ook onze aandacht versterkt. Vreugde ontstaat en de vermoeidheid verdwijnt. Wanneer vermoeidheid verschijnt, herhalen we dit proces.

Als er ondanks deze inspanning nog vermoeidheid in de geest is, staan we op en gaan verder met loopmeditatie. Rechterbeen vooruit BUD-, linkerbeen vooruit -DHO. We overwinnen de vermoeidheid door meditatief lopen. Vermoeidheid en geen zin om te oefenen zijn een van de vijf geestelijke hindernissen en kunnen zo overwonnen worden.

Voelt de mediterende concentratie, dan ontstaat vertrouwen in de Boeddha en zijn leer. Dit vertrouwen helpt dat er geen hindernissen meer in de geest verschijnen. De hindernissen die al verschenen zijn, verdwijnen hierdoor. Ook geestelijke onrust - een andere van de vijf hindernissen - legt zich hierdoor. Het lichaam wordt licht, de geest wordt licht, zien en weten ontstaan. De aandacht wordt sterk en kan in elke situatie worden gehandhaafd. Het vertrouwen wordt sterk en daardoor ontstaat veel energie. Deze energie wekt een sterk verlangen in ons om te mediteren - zo kunnen we verlichting bereiken.

Het volgen van het achtvoudige pad is wat ons naar het doel brengt. Het leidt tot het verkrijgen van bijzondere vaardigheden en het beëindigen van al het lijden - naar Nibbana. We moeten onze geest openen om het pad te volgen; alleen zo kunnen we de waarheid zelf ervaren. Besef dat de Boeddha het pad heeft onderwezen, nu ligt het aan ons om het te beoefenen.

Dat wij hier zitten en mediteren, laat zien dat we niet volledig onverschillig zijn. Zo kunnen we helderheid en het "Oog van de Dharma" ontwikkelen. We oefenen in zitten, lopen, staan en liggen, we volgen het edele pad en worden zo zelf edel.

Onze lichamen bestaan uit de vier elementen en energie. Ontwikkelen we onze concentratie zover dat we in het onderbewustzijn (Bavanga) kunnen doordringen, dan wordt bij sommigen het lichaam licht en de geest licht, bij anderen ontstaat licht en lichtheid. In dit stadium van concentratie doet de mediterende veel nieuwe ervaringen op - goede en slechte. Om dit stadium te bereiken moet men de hindernissen overwinnen. Komt er lusteloosheid of vermoeidheid, denk aan de Boeddha en ze zullen verdwijnen. Komt er angst of onzekerheid, denk aan de Boeddha, dat verdrijft het. Zo’n geest kan concentratie binnengaan.

We oefenen om geboorte, ziekte, ouderdom, dood, zorgen en tranen te overwinnen. Komt pijn op, dan weten we dit en als het te sterk wordt, wisselen we van positie en weten we dit. Verdwijnt de pijn, dan is het alsof een vuur in ons lichaam is gedoofd, we weten dat het vuur van pijn gedoofd is en dat onze concentratie daardoor weer beter is geworden. Verdwijnt de pijn, dan komt vreugde in lichaam en geest. We weten dat we mediteren om een einde aan het lijden te maken.

Luidruchtige geluiden kunnen gevaarlijk zijn voor de mediterende als zijn geest nog weinig gelijkmoedigheid bezit. De geest heeft de neiging geluiden te volgen en dit onderbreekt de concentratie. We moeten gelijkmoedigheid ontwikkelen. Pas als geluiden ons niet meer storen, hebben we echte geestelijke rust ontwikkeld. Denk - het is maar een geluid, het behoort ons niet, de Boeddha wil dat we mediteren om de geest in gelijkmoedigheid te laten verblijven.

Deze wijsheid passen we toe bij alle zintuiglijke contacten (Oog - vorm, Oor - geluid, Neus - geur, Tong - smaak, Huid - aanraking en Geest - gedachte). We weten dat contact plaatsvindt, maar proberen de geest in gelijkmoedigheid te laten verblijven - zonder toe te grijpen, of de ervaring goed of slecht is.

Als we bijvoorbeeld pijn ervaren, is het belangrijk dat we weten dat de pijn ontstaat, weten hoe de pijn verdwijnt als we van positie wisselen, en ook weten hoe vreugde en welzijn verschijnen als de pijn is verdwenen. Het duurt niet lang, dan zal in de nieuwe houding opnieuw pijn opkomen. We weten dit en weten dat het welzijn verdwenen is.

Komt er geen zin om te oefenen, dan weten we dat dit ook slechts Dharma is en passen geduld en doorzettingsvermogen toe. Deze keer werkt de geest niet mee. We weten dat dit de vijf aggregaten (Khando) zijn, het lichaam is vervuld van vreugde, nu wil de geest stoppen. We weten dat dit niet wij zijn en passen geduld en doorzettingsvermogen toe en gaan verder. We moeten al deze dingen zelf ervaren, zodat we in de toekomst weten hoe we met deze hindernissen moeten omgaan.

Als we de werkelijkheid zien zoals die is, kunnen we edel worden, omdat we wijsheid hebben ontwikkeld. We weten dit is het lichaam en dat is de geest. Zijn lichaam en geest rustig, dan voelt het lichaam licht en de geest licht - dit betekent dat lichaam en geest een stadium van kalmte (Passadhi) zijn binnengegaan. De mediterende is rustig en kalm, hij weet en laat los.

Het is alsof een vaardige koetsier een wagen met twee ossen voorspan bestuurt. Als de ossen (lichaam en geest) in gelijkmatig tempo lopen, hoeft de koetsier niets meer te doen, het span loopt vanzelf. De mediterende weet dat lichaam en geest gelijkmatig lopen.

Een mediterende weet de dingen en laat ze weer los. Weten en loslaten - dat is het pad - zo bereiken we Nibbana. We trainen zo en vroeg of laat ontstaat weten (Nana) in onze geest. We leren te zien wat we nooit hebben gezien en te weten wat we nooit wisten. Het vertrouwen in de Boeddha, die ons deze Dharma heeft onderwezen, wordt sterk. Vreugde en welzijn ontstaan in geest en lichaam van de mediterende. Hij heeft vreugde in de praktijk. Samma Vayamo - juiste inspanning - heeft zich ontwikkeld. Wanneer Samma Samadhi - juiste concentratie - is bereikt, weet de mediterende dat hij Jhana (verdieping) heeft bereikt en dat Nana - hoger weten - in hem ontstaat. Hij is op het juiste pad.

We weten of we het beëindigen van lijden hebben bereikt en we weten wanneer we het nog niet hebben bereikt. Geest en lichaam verschijnen samen, maar ze zijn niet hetzelfde - het zijn twee. Wij zijn degene die weet. We weten door de Dharma en door de onderrichtingen van hen die ons de Dharma hebben geleerd. Zo is wijsheid in ons ontwaken.

De vier fundamenten van aandacht kunnen ook liggend beoefend worden. Sommige mediterenden hebben Nibbana zittend bereikt, anderen staand, lopend of liggend. Nibbana is niet ver weg, het is dicht bij ons, in ons hart. Ouderen vinden het meestal gemakkelijker los te laten, Raga - zintuiglijk verlangen - komt nauwelijks nog op in hun hart. Zij moeten zich concentreren op deze geestestoestand van loslaten. Anderen hebben weinig woede. Ze hebben veel goedheid ontwikkeld, voor hen is dit het pad van loslaten.

Door dit loslaten ziet de mediterende steeds duidelijker de leegte in alles - Sunyata. Dit is geen zelf, het behoort ons niet, staat niet onder onze controle. Dit is de Dharma die ons naar bevrijding leidt. De geest wordt koel en onafhankelijk. Komt lijden op, weten we het, komt vreugde op, weten we het - en laten het los. We weten dat wat er ook in de geest opkomt, we vooruitgang boeken. We zijn iemand op het pad. Het pad, het achtvoudige pad, leidt tot het beëindigen van lijden. Dat is wat we zullen ervaren.

Als we alles kunnen ontmoeten zonder dat de geest uit balans raakt, dan hebben we het stadium van gelijkmoedigheid (Upekkha) en éénpuntigheid (Ekagata) bereikt. We moeten dit trainen. Het loslaten van het onheilzame ontwikkelt het goede vanzelf, we gaan meer en meer in de richting van "einde van het lijden", richting edel pad en bereiken Nibbana. Dan is er geen mannelijk meer - waarom dan vrouwelijk; er is geen vrouwelijk meer - waarom dan mannelijk. In Dharma is er geen mannelijk en geen vrouwelijk - dat is Nibbana. Zien we hier nog een verschil, weten we dat we dit stadium nog niet bereikt hebben - en gaan verder met onze praktijk. We proberen er niet aan te hechten; als het verschijnt, verdwijnt het vanzelf. We keren terug naar het pad dat naar beëindigen leidt.

Zo moeten we oefenen. Nibbana is niet ver weg, het is in ons hart. Is onze geest rustig en in het huidige moment, dan zien we dat er geen woede en geen begeerte in de geest is. Deze geestestoestand moeten we innemen - dat is praktijk in het huidige moment. Dharma die niet ver van Nibbana is. Het einde van geestelijke onreinheden, noch mannelijk noch vrouwelijk - Nibbana in de geest. Komt onreinheid op, weten we het en laten los. Na verloop van tijd verschijnt gelijkmoedigheid en éénpuntigheid van de geest.

Daarna ontwikkelen zich de vier goddelijke verblijfsstaten (Brahmavihara) - liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid. We weten dat deze edele Dharma in ons is ontwaken.

Alle wezens die verlichting hebben bereikt, deden dit op die manier. Er is geen 'man' - waarom dan 'vrouw', er is geen 'vrouw' - waarom dan 'man'. Willen we Nibbana bereiken, dan op deze weg. Man en vrouw kunnen samenleven en toch is er geen gevaar, omdat de oorzaak - zintuiglijk verlangen - niet verschijnt. Dharma is in het beëindigen; wat is beëindigd, is de oorzaak van lijden.

Het verlangen om het lijden te overwinnen, is geen geestelijke onreinheid. Dit willen betekent dat we op het pad naar het bereiken van Nibbana zijn. Het is geen lange weg daarheen. Nibbana is hier in ons hart. Weten - in het laatste uur is geen woede in de geest verschenen, er was geen begeerte in mijn geest. Vandaag had ik geen begeerte in de geest, vandaag had ik geen woede in de geest. Dit weten is genoeg. We weten zelf of we op het pad zijn om Nibbana te bereiken, of niet.

Zo moeten jullie oefenen om het lijden te overwinnen. Buiten dit pad is er alleen lijden en de oorzaak van lijden.

Mogen alle wezens een einde maken aan lijden!