EMOTIES
In het begin noteert men BUDDHO, BUDDHO – gedachten verschijnen, men denkt. Wanneer men zich bewust wordt van het denken, brengt men de geest terug naar BUDDHO. Soms ziet men de gedachten en weet men: er wordt gedacht. Men mag rustig denken, maar men moet altijd het weten daarvan behouden. Wil men geen mantra zoals BUDDHO gebruiken, dan weet men eenvoudigweg alleen maar.
Het is volkomen normaal dat tijdens de meditatie gedachten opkomen. Men laat ze weer los en blijft bij de lege geest. Dit zal zich steeds opnieuw herhalen. Men weet dat er denken is en men weet wanneer er geen denken is.
Het woord BUDDHO is ook denken; wanneer wij het rijzen en dalen van de buikwand noteren, is dat eveneens denken – het is denken dat wij willen. Natuurlijk verschijnt in het begin het denken dat wij niet willen veel vaker. Wij hoeven alleen onze aandacht te gebruiken en te weten dat er denken is – de waarde is dan dezelfde. Iemand met weinig meditatie-ervaring kan in dit geval te sterk aan de techniek gehecht raken.
Soms wordt de geest zeer rustig en denkt men dat men geen zo diepe rust zou moeten ontwikkelen. Toch wordt de geest als het ware in deze staat van rust getrokken. Aan de andere kant gebeurt het dat men niet wil denken, maar de geest blijft onophoudelijk denken, misschien de hele nacht. Wat wij moeten doen is onze aandacht trainen en versterken. Wij weten dat er gedachten zijn en proberen ze niet in een bepaalde richting te sturen. Wij weten ze en laten ze zijn – dat is de juiste manier om met gedachten om te gaan.
Wij weten en weten, en wanneer aandacht en inzicht sterker worden, kunnen wij de geest in zijn drie functies zien: ten eerste – men denkt onophoudelijk; ten tweede – men weet en ziet de gedachten; ten derde – men keert terug naar de rustige, gedachtevrije toestand. Men keert terug naar het lichaam.
Men neemt het lichaam waar en men neemt gedachten waar. Weten komt en gaat, rust komt en gaat, aandacht weet. Het denken noemen wij Vitakko, de aandacht Vijanam. Wanneer Vitakko en Vijanam in de geest aanwezig zijn, ontstaat inzicht in de Dhamma. Het ontstaan en vergaan van wat zich in de geest afspeelt, is Dhamma.
De geest weet, aandacht merkt op, en geleidelijk wordt Samadhi (concentratie) sterker. Er ontstaat verrukking (Piti). Wanneer Piti in de geest is, wordt zij gevolgd door een gevoel van geluk (Sukkha). Men weet dat er denken is en men weet dat er Piti en Sukkha zijn, en laat de geest zo verder gaan.
Dan kan het gebeuren dat het denken plotseling ophoudt. De geest wordt stralend en vol licht. Verrukking en geluk zijn aanwezig. De geest verfijnt zich verder en verrukking en geluk doven uit – wat overblijft is eenpuntigheid van de geest en gelijkmoedigheid. De waarneming van het lichaam lost op; Piti en Sukkha zijn verdwenen.
Wanneer wij hier zitten, weten wij dat aangename en onaangename gevoelens opkomen. Wij ervaren pijn en zwaarte, rust en onrust – dat alles moeten wij ervaren omdat wij dit lichaam en deze waarneming hebben. Wanneer de geest de staat van verdieping binnengaat, valt de waarneming van het lichaam volledig weg. Wanneer er geen waarneming van het lichaam is, hebben gevoelens en emoties geen basis meer om te ontstaan.
Is er nog waarneming aanwezig, dan ervaren wij in meditatie Piti, Sukkha en denken – wat wij Vitakko en Vijanam noemen. Wanneer de geest de verdieping binnengaat en zich steeds verder verfijnt, verdwijnen geleidelijk Piti en Sukkha en blijft alleen de stralende, met licht gevulde geest over – de geest is op het pad van Samatha.
De geest is losgemaakt en stralend – het lijkt alsof hij lichtgevuld in de ruimte zweeft. Dat noem ik: de geest heeft ruimte als zijn object. Wanneer dit gebeurt, zijn er de volgende kenmerken – rust, licht en volledige vrijheid van gedachten; het lijkt alsof er niets is.
Sommige mediterenden geloven dat de geest op het Samatha-pad niets weet. Maar de geest is door veel heen gegaan. Begrip en inzicht in de Dhamma zijn ontstaan. Het zien en dieper begrijpen van het lichaam, inzicht in vergankelijkheid, lijden en onbeheersbaarheid van de dingen en veel andere diepe inzichten in de Dhamma zijn ontstaan.
Op dit punt treedt de geest Jhana binnen – de rusttoestand van Samatha. Lichaam en zelf zijn verdwenen; alleen de lichtende, zwevende geest blijft over. Soms zendt de geest lichtstralen de wereld in en ziet mensen, geesten, landschappen en dergelijke. De geest is echter geen zelf; hij zweeft eenvoudig in de ruimte als de zon. Slechts soms zendt hij zijn stralen uit en ziet dingen.
Men moet niet beweren dat de geest niets meer weet. Het weten dat in deze toestand aanwezig is, is volledig vrij van oordelen (Samutpanna). Hij ziet de wereld en noemt haar niet bij naam; hij ziet levende wezens en benoemt ze niet. Toen de Boeddha op dit punt van verlichting kwam, ontstond in hem het weten van al zijn vroegere bestaansvormen en die van alle wezens (Popenivanusatinana).
Daarom moet niemand zeggen dat de geest op het Samatha-pad geen kennis heeft. Er is dus geen reden om te vrezen dat de geest deze weg inslaat. Wanneer de geest één is, moet de mediterende er alleen op letten dat hij er niet aan gehecht raakt. Men moet een sterke beslissing nemen om de dingen los te laten. Zonder dit besluit zal men daartoe niet werkelijk in staat zijn. De geest moet getraind worden om automatisch los te laten. Ontbreekt deze vastberadenheid, dan is de geest nog niet op het juiste pad.
Moraal heeft haar taak, de geest heeft zijn taak en wijsheid heeft haar taak. Wanneer moraal, geest en wijsheid hun taak vervullen, vormen zij samen een kracht die Sativinnayo wordt genoemd. Sativinnayo is de leidende kracht.
De Boeddha leerde: onachtzaamheid leidt tot het opstapelen van onheilzaam karma (Akusala). Aandacht leidt tot het opstapelen van heilzaam karma (Kusala). Dat betekent dat wij Samadhi ontwikkelen, Jhana en Nana bereiken, inzicht en hoger weten verkrijgen, de geest en vele andere dingen zien en begrijpen dankzij aandacht (Sati). Dit betekent dat het belangrijkste punt in onze praktijk de ontwikkeling van aandacht is. Doen wij dat, dan ontstaat er geen probleem.
Wat is nu verkeerde visie (Micchaditthi) en wat is juiste visie (Sammadhitthi)? Daarover moeten wij ons niet te veel het hoofd breken. Een eenvoudige regel maakt het gemakkelijker: alles wat wij weten en loslaten, wat niet tot problemen of conflicten leidt, dat is juiste visie. Alles wat tot gehechtheid en problemen leidt – gehechtheid aan een zelf, het gebruiken van kennis om in de geest van anderen te kijken, proberen hun problemen op te lossen en hen te corrigeren – dat is verkeerde visie.
Dus: wij weten en laten los – dat is juiste visie. Wanneer wij weten en eraan hechten: wat is dat? Waarom is dat zo? – dan leidt dat tot gehechtheid en problemen; dat is verkeerde visie. Wanneer weten opkomt en daarna de vraag: waarom is dat zo? – dan moeten wij weten: dat zijn geestesverontreinigingen (Kilesa). Komen deze vragen op, dan laten wij ze eenvoudig los.
Dit “willen weten” is een gewoonte die wij al lange tijd in onze geest hebben opgebouwd. Willen wij werkelijk weten, dan moeten wij eenvoudig stil zitten en aandachtig zijn. Niet zelf denken. Wat ontstaat – wij weten het; wat vergaat – wij weten het; eenvoudig alleen weten. Het “willen weten” en “willen zien” moeten wij loslaten.
Dingen ontstaan en vergaan in de geest – wij hoeven ze niet te benoemen. Wanneer aandacht sterk is, heeft zij het vermogen de dingen zelf te identificeren en te weten wat wat is.
Het kan ook gebeuren dat wij gaan zitten om te oefenen en denken: dit toont vergankelijkheid, dit toont lijden, er is geen zelf – omdat wij wijsheid willen ontwikkelen. Maar de geest wordt zeer rustig en plotseling blijft alleen geestelijke rust over. Of er nu inzicht, kennis, zien, rust of aandacht aanwezig is – dat alles is een resultaat van de praktijk; wij kunnen het niet beïnvloeden.
Alles wat wij kunnen doen is de juiste oorzaak scheppen. De juiste oorzaak voor het ontstaan van wijsheid is drievoudig: ten eerste – het besluit aandachtig te zijn; ten tweede – het besluit te overwegen, zoals een arts zijn geleerde kennis toepast om zijn object te onderzoeken (Vijanam); ten derde – wanneer denken opkomt, laat men het toe en hecht men alleen aandacht eraan: men weet en raakt niet betrokken.

